28 Feb 2017

Genomineerd: Irma Driessen

0 Comment

Met haar essay ‘Dialoog’ werd Irma Driessen genomineerd voor de Marie Kleine-Gartman Essayprijs. Aan de hand van drie performances – van Laura van Dolron, Micha Wertheim en Miranda July – beproeft zij verschillende manieren waarop (podium)kunstenaars de dialoog aangaan met hun publiek. Heeft de toeschouwer een weerwoord? En: wie is ‘het publiek eigenlijk? ‘Dit is het grote raadsel dat het theater mij keer op keer voorschotelt: een groep mensen, dan en daar, this one day and never again. Who are they?’

De jury is vol lof over zowel de persoonlijke stijl van deze tekst, als over de manier waarop deze is opgebouwd. De drie performances worden op een razend knappe en betekenisvolle manier met elkaar verbonden. Op een heel zintuiglijke wijze beschrijft Driessen de frustratie die je overvalt, wanneer je als toeschouwer in het theater zit en niet durft te reageren. Dat is uiterst herkenbaar en daardoor ook aangrijpend.

Irma Driessen (1971) schreef voor Tubelight, de Nederlandse Dansdagen, het Domein voor Kunstkritiek, MU, STRP, Baltan Laboratories en Trouw. Ze maakte met Sanne van Rijn de publicatie ‘Wat nu is’ voor De Nieuwe Toneelbibliotheek (Gesprekken met makers). Voor choreografe Ann Van den Broek (WArd/waRD) hield ze in een langlopend log bij hoe de voorstelling The Red Piece tot stand kwam. Het web is haar grote liefde. Ze droomt van een meerstemmig wikipedia: een universele encyclopedie en universele bibliotheek ineen.

Meer lezen: www.irmadriessen.nl

Uit ‘Dialoog’:
Ik zit op een stoeltje in het donker. De voorstelling heet WIJ. In die voorstelling stelt Laura van Dolron de vraag: ‘wie zijn WIJ?’ Dan slaat ze aan het essayeren. Op een gegeven moment herformuleert ze de vraag, ze verleent de vraag urgentie, ze zegt zoiets als: ‘als het mes op je keel gezet wordt, waarvoor zou je dan willen sterven?’

Zou ik voor kunst willen sterven?

‘Nee’ of ‘nergens voor’ is een te makkelijk antwoord, en bovendien vraagt ze dat niet. Waarvoor wel?

Ik kijk naar Laura, mijmer over haar vraag, zie hoe ze praat, zwoegt en ploegt en denk: ze laat me denken, standup philosophy laat me denken, en dat levert gedachten op waar ze doorheen praat wat het denken bemoeilijkt, en terwijl ik haar scalpel zie flitsen, denk ik, is dit – denken, wat Laura hier doet – genoeg?
Is het essayistische, de twijfel als grondhouding, genoeg? Wil ik niet gewoon een antwoord horen? Laura, kom op.

Wie zijn wij?

Naarmate de voorstelling langer duurt, golft meer en meer twijfel door me heen, ik dool in Eschers trappenhuis, loop omhoog en omhoog, terwijl ik tegelijkertijd in een spiraal naar beneden dwaal. Oh, daar ligt de vraag nog steeds.

Iets knaagt, een rat aan een kabel. Laura, geef antwoord. Wie zijn wij?

Kortom, ik dissocieer. Dat zijn goede momenten, omdat ze zo dwingend zijn en me een pas op de plaats laten maken. Wat staat ze hier eigenlijk te doen, wat zit ik hier eigenlijk te doen, wat gebeurt hier eigenlijk?

Soms wil ik dat iemand mijn denken eenvoudig schoonblaast, als een bladblazer. Dan ligt het spul een meter verderop. En dan kan (wil) ik lachen om die hoop bladeren.

Maar goed, dat is toch wat makkelijk. Kunst als bladblazer.

Het zou namelijk best eens kunnen zijn dat Laura echt antwoord wil. Ze vertelt dat een man een keer iets geroepen had tijdens een voorstelling. En misschien is het wishful, maar toen ze dat zei dacht ik: wacht, het is haar menens, ze wil antwoord, ze wil het echt graag, maar het blijft zo oorverdovend stil in theater. En meteen daarna dacht ik, je hebt een verdomd moeilijk medium gekozen voor een dialoog.

Theater zoals ik het ken – ik ben geen veelbezoeker – is angstaanjagend passief, het gebrek aan interactiviteit tijdens WIJ kneep mijn keel dicht. We schoten collectief tekort, zo voelde het. We hadden niet zo’n man in ons midden die wat riep, die avond. Natuurlijk was er applaus, gehoest, gelach en stilte; allerlei soorten stiltes, ja, daar is het theater goed in, in prachtige stiltes, en in iemand die ze stuk maakt met datzelfde applaus, gehoest en gelach. Dat bijzondere, zeldzaam korte, wonderlijk breekbare moment aan het einde van een voorstelling, waarin de stilte trillend ligt te wachten op degene die als eerste klapt.
Het gezamenlijk ervaren van stilte is misschien wel het meest bijzondere aan het theater.

[omhoog]